Laten we bij het begin beginnen. Dertig jaar geleden vluchtten mijn ouders uit Syrië. Om juridische redenen kan ik niet in detail treden. Laten we het er maar op houden… communisme. (Grapje natuurlijk). De waarheid is dat mijn ouders wisten dat er geen toekomst was voor Koerden in Syrië, en daarom besloten ze dat Europa hun beste kans zou zijn.
Tot 2010 woonden we zonder papieren in Nederland, waardoor we onze familie in Afrin niet konden bezoeken. En na 2010, tja… de brute oorlog maakte het sowieso onmogelijk.
Toen kwam december 2024. Een militie wierp Bashar al-Assad omver en langzaam gingen de grenzen weer open. Voor ons was dat hét teken: dit was hét moment. Mijn moeder kon haar vader eindelijk weer zien na dertig lange jaren. En voor mij was het de kans om mijn grootvader voor het eerst te ontmoeten.
Op het moment dat ik de tickets boekte (drie maanden voor vertrek) leefde mijn moeder weer op zoals ik haar al jaren niet meer had gezien. Ze bracht haar dagen door met dromen over wat ze moest inpakken: gereedschap, kleding en natuurlijk stroopwafels. Ze had haar sprankeling terug.
Ik? Ik wist niet goed wat ik moest verwachten. Een gebroken land? Familie die ik nauwelijks kende? Zoals veel kinderen van migranten, waren mijn enige 'gesprekken' met hen korte, ietwat ongemakkelijke telefoontjes tijdens de feestdagen: ik werd op Eid al-Fitr naar de telefoon geduwd om Eid Mubarak te zeggen tegen familieleden die ik nog nooit had ontmoet. Ik maakte me zorgen over waar ik het over zou hebben als we daar eenmaal waren. Mijn Koerdisch is prima voor small talk, maar als het erop aankomt om uit te leggen wat ik studeer... vergeet het maar. Ik zou stotteren, Nederlandse woorden tussendoor gebruiken en steeds naar mijn moeder kijken in de hoop dat ze me te hulp zou schieten.
Voordat we vertrokken, herinnerde mijn moeder mijn zus en mij eraan hoe we ons moesten gedragen. "Onthoud goed, Syrië is niet zoals Nederland," zei ze. "Je kunt niet tegen iemand zeggen dat hij of zij 'het niet begrijpt'. Je kunt niet zomaar in een T-shirt over straat lopen. En je moet altijd, altijd de ouderen gehoorzamen, wat er ook gebeurt."
We hadden beloofd ons te gedragen, en misschien meenden we dat in het begin ook wel. Maar uiteindelijk waren onze persoonlijkheden te sterk. We 'misdroegen' ons, naar Syrische maatstaven, al was het altijd onbedoeld. Gelukkig lachte iedereen ons uit in plaats van dat ze er aanstoot aan namen. Sterker nog, ik denk graag dat we een kleine culturele verschuiving teweeg hebben gebracht. Wie weet?
Aan de grens werden we streng gecontroleerd: wie waren die Nederlanders zonder visum? Gelukkig was mijn moeder hier al jaren op voorbereid: ze had ons al lang geleden in het familieregister ingeschreven. Een paar stempels later waren we erdoor.
Op het moment dat mijn moeder haar vader zag, barstte ze in tranen uit en kuste zijn handen, zijn voeten en zijn hoofd. Mijn zus Zainab en ik volgden haar voorbeeld en kusten om de beurt zijn handen. Zainab, die moediger was dan ik, kuste ook zijn voeten (wat later iedereen aan het lachen maakte). Ik wilde huilen, maar ik deed het niet. Ik was omringd door vreemden, ook al waren het familieleden.
We propten ons in een enorme Hyundai pick-up, onze koffers hoog opgestapeld. Ik koos ervoor om achterin te zitten, tussen de bagage, omdat ik alles in me op wilde nemen: de geur van de rit van Aleppo naar Afrin ruiken, het met eigen ogen zien. En ik zal eerlijk zijn: Syrië ruikt niet lekker. Uitlaatgassen, verbrand plastic, droge hitte... het is overweldigend.
Toen we eindelijk aankwamen in het dorp van mijn tante, vlakbij Afrin, waar mijn grootvader nu bij haar woont, werd er meteen een schaap geslacht. Mijn grootvader had altijd beloofd dat hij dit zou doen om onze veilige aankomst te vieren. En dat deed hij. Ik zal de details achterwege laten, maar het gebeurde op een humane manier en het dier heeft niet geleden.
Bij aankomst ontdekt Zainab dat er granaatappels groeien in de tuin van mijn tante.
Een foto van de zoon van mijn neef, mijn tante, mijn grootvader, Zainab en mijn moeder.
We dwaalden een van de olijfgaarden in die al generaties lang in onze familie is. Daar, tussen de bomen, had ik mijn eerste echte gesprek met mijn grootvader. Hij sprak over het belang van weten welke bomen van ons zijn en van het behouden van het land in de familie. Deze velden waren zijn levenswerk, hij had ze met zijn eigen handen bewerkt zolang hij zich kon herinneren – zodat wij, zijn kinderen en kleinkinderen, ooit in hun oogst zouden kunnen delen.
Mijn vader zei altijd dat het eerste wat hij zou doen als hij terugkeerde naar Syrië, een ritje op zijn motor zou zijn. Volgens Nederlandse maatstaven is dit een heel simpele 125cc-motor. Maar elke Syriër of Koerd kent deze motoren, motoren waarop soms gezinnen van zes personen rijden, motoren waarop je zonder helm, zonder bescherming, rijdt. En natuurlijk moest ik dat ook doen. We reden naar Kafr Dalī bij Taḩtānī. Het uitzicht was ongelooflijk.
's Avonds komt het huis tot leven. Gasten arriveren, baklava wordt in royale porties geserveerd en de lucht vult zich met de geur van koffie, thee en de zoete rook van de waterpijp. Jong en oud verzamelen zich en zitten naast elkaar op kussens die verspreid liggen over de pas aangeveegde binnenplaats. Overdag is het door de hitte bijna onmogelijk om buiten te zijn, maar als de avond valt, koelt de lucht af en ontstaan de beste gesprekken. Dan blijft het gelach hangen, worden verhalen gedeeld en begint de ware essentie van de dag.
Zoals ik al eerder zei, heb ik alle familieleden die je hier ziet voor het eerst in Syrië ontmoet. Deze man, mijn oom, de broer van mijn vader, is daarop geen uitzondering. Hij houdt van jagen en rookt, zoals de meeste Syriërs, veel sigaretten. Zijn vrouw en kinderen waren naar de dokter in Aleppo (ongeveer een uur rijden). We zaten er nog geen vijf minuten toen hij meteen aan mijn zus (die hij ook voor het eerst ontmoette) vroeg of ze koffie voor ons kon zetten. Mijn tante, moeder, nicht en ik moesten hard lachen, want waar in Nederland zou je je bezoekers ooit vragen of ze koffie voor je kunnen zetten? In Syrië lijkt het heel normaal.
Mijn oom en opa plukken hier vijgen. Even voor de duidelijkheid: deze vijgen zijn niet paars, maar geelgroen, en het zijn de allerlekkerste vijgen die je je kunt voorstellen. Ik denk er nog steeds elke dag aan. Ze smaakten naar honing. Ik mis ze.
Omdat mijn grootouders van vaderskant waren overleden, wilden we ook hun graven bezoeken. Het was emotioneel, hoewel ik moet toegeven dat ik ze niet kende. Toch voelde het belangrijk om hen te herdenken, zo niet voor mezelf, dan toch voor mijn vader. Mijn grootvader zocht een plekje in de schaduw en, zoals afgebeeld op de fles olijfolie, ging hij daar op deze manier zitten.
Ik denk dat er niet veel te zeggen valt over deze foto. We merkten echter op dat er weinig teksten, slogans of kunstwerken op de muren te vinden zijn. Misschien waren die er vroeger wel, maar is alles verwijderd. Dit was de enige schreeuw om aandacht die ik in Syrië zag.
Mijn oom, Muafak, was taxichauffeur met zijn zoon. Voor mij en mijn zus was hij meer dan een oom: hij werd een symbool van veerkracht. Hij had al meer leed doorstaan dan de meesten zich kunnen voorstellen: de lange jaren van oorlog in Syrië en het ondraaglijke verlies van zijn dochter.
Tijdens de oorlog woonden ze in Aleppo, tussen de Koerden. Op een koude februaridag liep zijn dochtertje, nog maar zes jaar oud, buiten met haar vierjarige broertje. Van een afstand openden schutters het vuur. Een enkele kogel trof haar in haar zij. Ze zakte in elkaar.
De familie keek vol afschuw toe, als versteend. Ze konden haar niet bereiken. Iedereen die in het vizier van de schutter kwam, liep het risico zelf ook neergeschoten te worden. Pas toen een dappere buurman naar voren rende en zijn eigen leven riskeerde, werd haar lichaam weggevoerd. Ze brachten haar met spoed naar het ziekenhuis, in de hoop dat er niets aan de hand was. Maar het was te laat. Mijn kleine nichtje, Jacqueline, was er niet meer. Vermoord door lafaards met geweren, in een oorlog die niets dan verwoesting bracht.
De kinderen van mijn oom vertelden me hoe ze op de rand van de afgrond leefden. Ze hadden vaak geen eten, maar soms gaven Koerdische buren hen stiekem aardappelen of rijst. Veertien jaar van angst tekenden hun jeugd. Jaren die geen enkel kind zou moeten meemaken. En hoewel ze het overleefden, dragen ze littekens die nooit helemaal zullen genezen.
Het uitzicht vanaf een bergtop in Afrin
In Syrië rijdt iedereen op een tractor. Mijn vader zei dat ik moest leren tractorrijden, zodat ik later in de olijfgaarden kon werken. Zo gezegd, zo gedaan. Ik leerde tussen de olijfbomen door rijden. In mijn Arabische gewaad bij zonsondergang.
Backgammon is een spel dat ik al jaren met mijn vrienden en mijn vader speel. Mijn neef kon het ook spelen, maar hij had geen bord. Dat moesten we natuurlijk veranderen. Dus, na een autorit van vijf uur naar Damascus (en vijf uur terug) vonden we eindelijk een prachtig bord. De stukken bleken iets te groot, maar dat losten we later op door nieuwe te kopen. En wat betreft de potjes die we speelden... ik zal bescheiden blijven, maar op de een of andere manier won ik altijd.
Alsof de oorlog nog niet genoeg littekens had achtergelaten, hebben recente aardbevingen in Turkije en Syrië de weinige overgebleven gebouwen verwoest. Tussen de ruïnes lag het huis waar mijn moeder geboren was. Het was bijna ongeloofwaardig dat ze ooit had gewoond en was opgegroeid in wat nu niets meer is dan een hoop puin. De aanblik van haar ouderlijk huis in deze staat heeft een diepe indruk op haar achtergelaten.
Dit is Mustafa. Hij heeft in het leger gediend en werkt nog steeds voor de huidige regering. Acht jaar geleden besloot hij de stad Aleppo achter zich te laten en naar de dorpen te verhuizen. Daar ontmoette hij mijn grootvader, die hem onderdak bood in ruil voor hulp op ons land en een klein loon.
Toen ik aankwam, was Mustafa enthousiast om eindelijk de 'eigenaar' van de olijfgaarden te ontmoeten. Ik moest daar wel om lachen; ik zou mezelf nooit de eigenaar noemen. Zijn gereedschap vertelde echter een eigen verhaal: oud, bot en versleten, omdat zijn beste gereedschap gestolen was. Gelukkig was mijn moeder goed voorbereid. Tussen de 80 kilo aan spullen die ze had meegebracht, zat gloednieuw gereedschap, klaar voor gebruik.
Ik heb nog niet veel verteld over mijn oom, Abdelkader. Hij had geen tanden, wat hem een kinderlijk uiterlijk gaf, maar achter die glimlach ging een verhaal van diep lijden schuil. Een jaar geleden werd hij door de overheid gearresteerd, beschuldigd van lidmaatschap van een terroristische organisatie. In de gevangenis werd hij geslagen, vernederd en gemarteld om een bekentenis af te dwingen voor iets wat hij nooit had gedaan. Er viel niets te bekennen. Het kostte de familie tienduizend dollar om zijn vrijlating te be bewerkstelligen. Alsof het overleven van een oorlog nog niet genoeg was, moest hij ook dit trauma verwerken.
Deze foto is genomen aan het einde van onze reis. Amm Abdelkader stond erop dat hij met mij op de foto ging, omdat hij me stiekem wel aardig vond. Een luidruchtig neefje die om zichzelf kon lachen en een grapje kon waarderen.
Bijna iedereen kwam naar het vliegveld om ons uit te zwaaien. Iedereen behalve mijn tante, en de vrouw en zoon van mijn neef (zij was hoogzwanger en kon niet mee). Mijn tante moest achterblijven omdat een gast om de een of andere reden het een goed idee had gevonden om de avond ervoor langs te komen en tot in de ochtend te blijven. Maar ik zal verder geen woorden aan haar verspillen.
Net toen we weggingen, rende mijn tante plotseling achter ons aan en zwaaide ze ons gedag terwijl Zainab en ik achterin de pick-up zaten. We zwaaiden terug en op het moment dat ik stopte met filmen, begonnen de tranen over mijn wangen te stromen. Zainab sloeg haar arm om me heen en fluisterde: "Maar we komen terug?"
Natuurlijk komen we terug. Ooit. Maar toch, dat afscheid deed pijn, en dat doet het nog steeds. Mijn tante had tien dagen lang onvermoeibaar gewerkt om ervoor te zorgen dat we een fantastische reis zouden hebben. Dankjewel, Xoltik Khadija, je hebt alles voor ons gedaan, en daar zal ik je eeuwig dankbaar voor zijn.
Op het vliegveld was iedereen in tranen. Niet alleen Amm Abdelkader, Bave Mannan (mijn grootvader), mijn neef Chilou (wiens naam 'blondje' betekent in het Koerdisch), Zainab, mijn moeder en ik. Maar tot mijn verbazing ook mijn oom Muafak, zijn vrouw en hun kinderen. Het afscheid was zwaar, bijna ondraaglijk.
Mijn moeder is achtergebleven en zal nog een paar weken in Afrin blijven. Maar ik denk dat Zainab en ik onze stempel hebben gedrukt. Twee Europeanen, twee Nederlandse kinderen van ballingen, die voor het eerst Syrische bodem betreden. We droegen het Koerdisch dat we thuis hadden geleerd met ons mee, onvolmaakt maar levendig, en brachten een speelsheid die de droefheid van een verwoest land weerspiegelde.
We lachten. We speelden. We knuffelden. We huilden. We werden zelfs ziek – tien dagen diarree (les voor mezelf: drink het water niet) – maar toch probeerden we Syrië elke dag met een open hart te omarmen. Afrin, Rojava. Familie, vrienden en bovenal onze grootvader.
En misschien wel het meest ontroerend van alles: de mensen die ooit vreemden voor me waren geweest, gezichten waarover ik alleen in verhalen had gehoord, stemmen die ik alleen kende van telefoontjes tijdens de feestdagen, werden iets meer. In die korte dagen werden ze mijn familie. Mijn thuis. Mijn wortels die tastbaar werden.
Ik ben oneindig dankbaar voor deze reis, voor de kans om in contact te komen met een plek die ik me altijd al had voorgesteld. En ik koester nog steeds één hoop: dat ik ooit zal terugkeren, deze keer met mijn vader aan mijn zijde.